Arbeid als therapie
Bedrijfsarts kan iatrogene invaliditeit helpen voorkomen
Werknemers die met psychische klachten aan de kant zitten, moeten zo snel mogelijk weer aan het werk. De bedrijfsarts kan hen daarbij helpen. Openheid en helderheid zijn essentieel.
Medisch Contact 13 APRIL 2001 56 nr. 13
A.T.M. Besamusca-Ekelschot
Samenvatting
Bij ziekteverzuim door psychische problemen is zelden sprake van psychiatrische problematiek in strikte zin. Als duidelijk is wat er dan wel aan de hand is, kunnen in vele gevallen de werkzaamheden direct worden hervat, waardoor bovendien medicalisering van problemen wordt voorkomen. Bedrijfsartsen moeten het beoordelen, begeleiden en coördineren goed van elkaar onderscheiden en een open houding aannemen tegenover medewerkers die zich vanwege psychische problemen hebben ziek gemeld.
Terugdringen van het ziekteverzuim is een vast punt in veel beleidsplannen. Het beleid dat hierop wordt ingezet, levert echter weinig resultaten op. De vraag is hoe dit komt. De overheid heeft de verantwoordelijkheden voor het begeleiden en beoordelen van ziekteverzuim sterk gespreid. Dit is legitiem waar het gaat om het onafhankelijk beoordelen van de uitvoering van de sociale wetgeving. Het is echter niet verantwoord als de gescheiden verantwoordelijkheden ertoe leiden dat de oplossing van het stijgende ziekteverzuim steeds verder uit beeld raakt. En dit lijkt helaas het geval. Alle reden dus om in te grijpen.
Contraproductief
Bij ziekteverzuim vanwege psychische klachten (circa 30 procent) zitten bedrijfsartsen, huisartsen en verzekeringsartsen met de handen in het haar. Als reguliere begeleiding, die wordt gefinancierd uit het eerste compartiment, niet of niet snel tot de mogelijkheden behoort, wordt in het gunstigste geval tegen een hoge vergoeding uit het derde compartiment psychische begeleiding afgesproken bij een bedrijvenpoli. Het ziekteverzuim neemt hierdoor nog niet aantoonbaar af. In andere gevallen, de meeste, verlopen begeleiding, beoordeling en beinvloeding van de betrokkene langs verschillende wegen, die hem of haar gemakkelijk op een dwaalspoor brengen en bovendien geen rekening houden met of zelfs contraproductief zijn aan elkaar.
Het is merkwaardig dat de zorgsector die terecht op zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid wordt gewezen, meer energie besteedt aan het vaststellen van te onderscheiden verantwoordelijkheden dan aan het realiseren van een gezamenlijk doel, namelijk dat de betrokken medewerker weer aan het werk gaat. Er wordt veel energie gespendeerd aan het onderscheid tussen arbeidsrechtelijke en medische arbeidsbeperkingen. Maar daar krijg je iemand niet mee aan het werk. Zelfs in geval van secundaire ziektewinst of situationeel verzuim wenst ook de betrokkene om gewoon aan het werk te kunnen. (Als onze tienerzoon wordt gevraagd "Wat wil je later worden?", antwoordt hij steevast "Gelukkig!" Niemand zal zo'n vraag in beginsel beantwoorden met "arbeidsongeschikt", terwijl we het met zijn allen toch vaak laten gebeuren.)
Mijn stelling is dat arbeidsongeschiktheid vanwege psychische klachten vaak is te voorkomen en dat arbeidsverzuim op grond van psychische klachten daartoe steeds zo snel mogelijk moet worden aangepakt. Sterker nog, te laat ingrijpen maakt iemand ziek. De veelal therapeutische werking van arbeid wordt genegeerd. Een formeel ziekteverzuimtraject is ziekmakend en kan zelfs leiden tot ongewenste maatschappelijke effecten en sociaal isolement. Zo zijn de ingrediënten voor iatrogene invaliditeit, gevolg dus van medicalisering van nietmedische problemen, bijeengebracht.
Snelle werkhervatting
Als aan enkele voorwaarden wordt voldaan, hoeven psychische klachten niet te leiden tot ziekteverzuim. Voordat een begeleidingstraject wordt gekozen, dienen huisarts en bedrijfsarts met elkaar te overleggen en in voorkomende gevallen met de in consult gevraagde psychiater. En nadrukkelijk ook met degene over wie het gaat. De begeleiding beoogt het ontstane probleem op te lossen en niet de werkhervatting zo lang mogelijk uit te stellen.
Er zijn maar twee situaties waarin werkhervatting niet direct is aan te raden. Allereerst als er sprake is van een psychiatrisch ziektebeeld in engere zin waarbij de patiënt het contact met de werkelijkheid kwijt is of zo ernstig depressief is dat hij of zij feitelijk wordt gehinderd in de uitvoering van het werk. De spaarzame keren dat dit in de Arbo-zorg voorkomt, is het aanleiding voor psychiatrische behandeling.
De tweede situatie betreft een psychisch probleem dat voortvloeit uit het werk, zonder dat er sprake is van een psychiatrisch ziektebeeld in engere zin. Hierbij valt te denken aan problematische arbeidsverhoudingen, interactionele problematiek, een te zware werklast of een traumatische gebeurtenis. Een dergelijk probleem moet zo snel mogelijk binnen de arbeidssituatie worden opgelost, waarna de betrokkene eventueel nog kan worden begeleid door een maatschappelijk werker of psycholoog. Snel weer aan het werk gaan, al dan niet aangepast of ander werk, voorkomt een ongewenste kentering, waarbij het probleem een loopje neemt met de persoon in kwestie en een sociaal probleem of een sociologisch gegeven wordt opgepakt als ziektebeeld. En word dan nog maar eens beter!
Ook als boosheid op de werkgever wordt geprojecteerd, zoals nogal eens gebeurt bij een psychisch probleem, of als er een werkelijke krenking door de werkgever of leidinggevende heeft plaatsgevonden, is directe verheldering in combinatie met werkhervatting aan te raden, eventueel op een andere plaats of in een andere of tijdelijke functie. Alle andere categorieën van psychische problemen vragen om een gerichte benadering door de bedrijfsarts in overleg met de huisarts.
De basis van handelen is dat de betrokkene met een als ziekte vertaalde klacht een uitweg zoekt uit een probleem en hierbij moet worden geholpen. Ook bij ziektesymptomen die formele behandeling in enige vorm rechtvaardigen, heeft de betrokkene er meestal baat bij zo weinig mogelijk als patiënt door het leven te gaan en de dag zo normaal mogelijk door te brengen. Van ziektegedrag wordt men immers niet beter. Bij een situationeel bepaald psychisch probleem - denk aan ernstige ziekte van een verwant - heeft het de voorkeur om zorgverlof toe te kennen in plaats van ziekteverlof te accepteren. Dit veronderstelt ook afstemming tussen de bedrijfsarts en de leidinggevende. Deze afstemming zou moeten worden gerealiseerd in besprekingen die in een gunstig geval zeswekelijks plaatsvinden onder de naam "sociaal-medisch team". In de praktijk dienen deze besprekingen echter geen ander doel dan vaststellen hoe het ermee staat. Na zes weken is het belangrijkste kwaad al gedaan. Bovendien wordt de betrokkene er zelf niet dringend bij uitgenodigd, hetgeen ongunstig is voor de noodzakelijke verstandhouding. Als er sprake is van psychische problematiek, kunnen sociaal-medische teams op deze basis worden afgeschaft.
Rol bedrijfsarts
Wat moet er dan wel gebeuren? Uit het voorgaande zal duidelijk zijn dat de oplossing is te vinden in openheid en helderheid. Naast de al genoemde afstemmingstaak zal de bedrijfsarts zich meer als arts en minder als verzuimlegitimeringsbron moeten opstellen. Hij of zij zal zichzelf voor het proces van het psychische probleem moeten openstellen, de situatie moeten verhelderen en actief herstelgedrag moeten bevorderen. Daarnaast kan hij in ingewikkelde kwesties verwijzen naar huisarts, maatschappelijk werker of psycholoog.
In een aantal gevallen betekent dit dus interventie door de bedrijfsarts zelf. Bedrijfsartsen worden echter geacht niet te behandelen. Maar niet elke interventie is een behandeling, zeker als er geen sprake in van een ziektebeeld in engere zin. De commissie-Donner, geïnstalleerd om preventie, verzuimbegeleiding, behandeling en reïntegratie bij elk ziekteverzuim te stroomlijnen, zal hier zeker ook op uitkomen.In geval van psychische problematiek is reïntegratie een ongewenst, te laat en passief fenomeen. Hier past alleen actieve werkhervatting, bij voorkeur nog voordat het probleem waar het verzuim mee begon, is opgelost.
Dan nog dit: als iemand bij een psychisch probleem werkelijke lijdensdruk ervaart en gemotiveerd is tot zelfwerkzaamheid, is het een kunstfout als een (bedrijfs)arts het contact verbreekt, tenzij elders een begeleidingstraject is gestart. Ook hierbij is natuurlijk discussie mogelijk over de vraag of de behandeling gelegitimeerd is. Deze discussie is echter zinloos, zolang het niet gaat om het bewerkstellingen van een oplossing.
Vervolgcontacten
Bij het eerste contact met een medewerker met een psychisch probleem geldt voor een bedrijfsarts exact hetzelfde als voor een huisarts. Eerst moet de betrokkene op zijn of haar gemak worden gesteld om een optimale situatie voor een diepgaand gesprek te creëren. Naast de psychiatrische diagnostiek gaat het om het beoordelen van sociaal gedrag, interactie en potentieel van de betrokkene. Op basis hiervan kan de bedrijfsarts afspraken maken over aard en doelstelling van de vervolgcontacten en over eventuele betrokkenheid van andere begeleiders. Voor de psychiatrische diagnostiek zijn inmiddels valide en eenduidig te interpreteren vragenlijsten beschikbaar. Voor het interactionele deel moet de arts zichzelf openstellen, omdat het anders niet lukt om de problematiek voor de betrokkene te verhelderen. Voor sommige bedrijfsartsen is dit wellicht beangstigend, maar het kan wel degelijk van de bedrijfsarts worden gevraagd.
Een bedrijfsarts verenigt personeelszaken en medische kennis in zich. Personeelsbeheer vraagt ook om optimale helderheid. Als deze helderheid leidt tot de conclusie dat de psychische klacht slechts als arbeidsrechtelijk geschil valt te zien, kan de consequentie zijn dat betrokkene gaat uitzien naar een functie elders. Bij een gerichte en doelgerichte begeleiding zal blijken dat dit zelden aan de orde is.
Mail: A.T.M. Besamusca-Ekelschot,
psychiater, lid Raad van Bestuur van Mesos Medisch Centrum te Utrecht
Medisch Contact 13 APRIL 2001 56 nr. 13
Referenties
1.Hoevers J, Kijken en ingrijpen houdt mensen uit de WAO. Medisch Contact 2000; 55 (15): 540-2.
2.Jonghe F de, Een psychiater mag niet buiten zijn boekje gaan. De Psychiater 2000; 1: 4-5.
3.Brink JC van den, Putters K, Zakelijkheid bedreigt autonomie. Medisch Contact 2000; 55 (25): 950-2.
4.NRC Handelsblad 15 februari 2001 p.14. Wie vervuilt de WAO?
5.Bolt A, Intentieverklaring tussen bedrijfsarts en psychiater. De Psychiater 2000; 6: 11.
6.Knepper S, Burn-out is een gevaarlijk etiket. PSY 2000; 11: 26©7.
7.Hagenouw RGP, De bedrijfsarts in doktersland. Medisch Contact 2000; 55 (23): 865-6.
8.Dammers JWHH, Medische armoede. Medisch Contact 2000; 55 (46): 1650-1.
9.Nauta AP, Grumbkow J von, Samenwerking huisartsen en bedrijfsartsen: sociaal-psychologische 10.factoren. Public Health Congres 23 maart 2000. TSG 2000; 78 (2).
11.Hoedeman R, Bedrijfsarts, huisarts en somatisatie. Medisch Contact 2000; 55 (38): 1335-7.
Zie Aanpak psychische arbeidsongeschiktheid. Medisch Contact 2000; 55 (7): 263.
12.Algra AF, Baartman GJ e.a. Handelen van de bedrijfsarts bij werknemers met psychische klachten. Geautoriseerde richtlijn 28 januari 2000. NVAB.
|