HANDHAVINGSBELEID

ARBEIDSOMSTANDIGHEDENWET 1998

Uitgangspunten, procedures en achtergronden bij handhaving van de wet

Afdeling Handhaving
Bijgestelde versie 21 januari 2002
 
 

INHOUDSOPGAVE

1. ARBOHANDHAVING ALGEMEEN

2. NORMATIEF KADER
2.1 Wettelijk kader
2.2 Gedragskader
2.3 Politiek kader

3. DE HANDHAVINGSTRAJECTEN
3.1 Inleiding
3.2 De reguliere handhavingstrajecten
3.2.1 Handhavingstraject bij strafbare feiten
3.2.2 Handhavingstraject bij ernstige beboetbare feiten
3.2.3 Handhavingstraject bij direct beboetbare feiten
3.2.4 Handhavingstraject bij overige beboetbare feiten
3.3 Handhavingstrajecten bij recidive en herhaling
3.3.1 Algemeen
3.3.2 Vervolgtraject bij directe en overige beboetbare feiten
3.3.3 Recidive of herhaling bij strafbare en ernstige beboetbare feiten
3.3.4 Verkorte handhavingstrajecten bij recidive/herhaling na afhandelingsbrief
3.4 Handhaving op tijdelijke locaties
3.4.1 Niet ernstige overtredingen
3.4.2 Recidive niet-ernstige overtredingen
3.4.3 Recidive ernstige beboetbare feiten
3.5 Handhaving bij klachten en ongevallen
3.6 Handhaving bij overheidsinstellingen

4. PROCEDURES MET BETREKKING TOT DE HANDHAVINGSTRAJECTEN
4.1 Projectkeuze op basis van risicoprofielen

4.2 Inspectievoorbereiding

4.2.1 Inspectievoorbereiding waarbij naast arbeidsveiligheid ook publieke veiligheid een rol kan spelen
4.3 De bedrijfsinspectie
4.3.1 Voorbereiding
4.3.2 De inspectie in het bedrijf
4.4 Omgang met werknemers en OR/PVT bij de bedrijfsinspectie
4.5 Concerns en filiaalbedrijven
4.6 Schriftelijke bevestiging handhavend optreden

5. OVERIGE ASPECTEN
5.1 Handhaving werknemersverplichtingen
5.2 Inspectie in relatie tot certificatie
5.3 Handhaving en informatieverzameling
5.4 Relatie met andere bijzondere opsporingsdiensten

1. ARBOHANDHAVING ALGEMEEN

De Arbeidsinspectie is belast met de handhaving van een aantal wetten die eisen stellen aan de kwaliteit van arbeidsomstandigheden.

Dit betekent voor de dienst - via preventief en repressief optreden - het bewerkstelligen van naleving van de wettelijke normen. Toezicht en opsporing zijn daarbij de kernactiviteiten.

De controle op naleving in bedrijven vindt plaats via actieve inspecties, meestal projectmatig en landelijk voorbereid en geïnitieerd door de Arbeidsinspectie zelf, en via reactieve inspecties naar aanleiding van klachten, ongevallen en vergunningsaanvragen.

Bij de selectie en voorbereiding van inspectieprojecten richt de Arbeidsinspectie zich met voorrang op de aanpak van eventuele misstanden. Dit zijn situaties waar het niet naleven van wettelijke voorschriften ernstige risicoís kan inhouden voor betrokkenen, waar het aan basisvoorwaarden voor behoorlijke arbeidsomstandigheden ontbreekt en/of waar niet-naleving van de wet in feite gelijk te stellen is aan concurrentievervalsing op grond van arbeidsomstandigheden.

De bedrijfsinspecties, die in beginsel bedrijfstakgewijs plaatsvinden, zijn vooral afgestemd op branchegebonden knelpunten in de wetsnaleving.

Als onderdeel van SZW is de Arbeidsinspectie niet alleen belast met de handhaving van SZW-wetgeving, maar heeft ook tot taak bij te dragen aan de realisatie van de beleidsdoelstellingen van het ministerie, in casu de intentie van de wetten.

Bij inspecties en controles hanteert de Arbeidsinspectie een instrumentenmix bestaande uit repressieve elementen (stillegging, waarschuwing, eis, bestuurlijke boete of proces-verbaal) en uit preventieve elementen, zoals het verstrekken van informatie op bedrijfsniveau en het geven van voorlichting op brancheniveau. Bovendien verzamelt en signaleert de Arbeidsinspectie politiek relevante informatie ten behoeve van. beleidsvorming en -evaluatie op alle niveaus.

Handhaving door de Arbeidsinspectie is gericht op het bestrijden van overtredingen, op de aanpak van achterliggende oorzaken daarvan en daarmee op het doen opheffen van mancoís in de arbobeleidsvoering. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen de voorschriften met betrekking tot concrete arbeidsomstandigheden en de organisatorische verplichtingen, die kunnen worden beschouwd als impulsen voor het structureel voeren van arbobeleid door de werkgevers in samenwerking met de werknemers.

Bij constatering van overtredingen gaat de Arbeidsinspectie ook in op de achterliggende oorzaken hiervan.

Deze overtredingen worden daarbij herleid tot een of meer mancoís in het voeren van arbobeleid op de vier arbozorg aandachtsgebieden (regelkringen):

  • systematische werkplekbeheersing
  • verantwoord werknemersgedrag
  • effectief toezicht op dit gedrag
  • verantwoord ontwerp van werkplekken en werkprocessen en verantwoorde inkoop van stoffen, materialen, machines, e.d. .
Dit herleiden gebeurt voor een deel al tijdens de werkplekinspectie en zo nodig tijdens het afrondend handhavingsgesprek.

De Arbeidsinspectie handhaaft de wet volgens de volgende uitgangspunten:

  • bij overtredingen worden geen zwaardere middelen ingezet dan noodzakelijk is om naleving van de wet te bereiken;
  • bij handhavend optreden naar aanleiding van werkplekovertredingen wordt in beginsel steeds ook ingegaan op de oorzaken achter de overtreding, c.q. op mancoís in de arbobeleidsvoering.
  • ter bevordering van de eenheid van optreden en de gelijke behandeling van bedrijven worden de handhavingsinstrumenten en -procedures uniform toegepast (gelijke gevallen: gelijk behandelen);
  • de resultaten van handhavend optreden (zowel met betrekking tot. toezicht als opsporing) worden altijd schriftelijk bevestigd.

2. NORMATIEF KADER

De Arbeidsinspectie heeft bij de handhaving te maken met een normatief (wettelijk en gedragskader) en een politiek kader. Strategische en tactische keuzes ten aanzien van waar te inspecteren en met welke prioriteit, hoe te handelen bij constatering van overtredingen, hoe te handelen ter bevordering van naleving van de wet, zowel op bedrijfsniveau als op bedrijfstakniveau, moeten steeds passen binnen die kaders.

2.1 Wettelijk kader

Het wettelijk kader bestaat in belangrijke mate uit specifieke regelgeving waarbij taken, bevoegdheden en verplichtingen van de Arbeidsinspectie zijn geregeld met betrekking tot de handhaving van wetten en besluiten op het terrein van arbeidsomstandigheden. Deze wetten en besluiten bevatten de voor werkgevers en werknemers geldende voorschriften en geven daarnaast aan welke bestuurlijke en strafrechtelijke middelen de inspecteur ten dienste staan bij zijn handhavende taak.

Behalve aan de specifieke arbeidsomstandighedenwetgeving is de Arbeidsinspectie bij haar functioneren ook gebonden aan andere wetten en besluiten, zoals de Wet op de Economische Delicten en de Algemene Wet Bestuursrecht.

Bij de handhaving op het gebied van arbeidsomstandigheden spelen, behalve wettelijke normen en normen in beleidsregels, ook normen van "lagere" orde een belangrijke rol.

In een aantal gevallen geeft de wetgever zelf geen concrete normen of grenswaarden, maar eist de Arbeidsinspectie bijvoorbeeld voorzieningen of maatregelen volgens de mogelijkheden van de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening. In dat geval worden ook normen van "lagere" orde gehanteerd. Dit kunnen bijvoorbeeld NEN-normen zijn, maar ook normering die in de betreffende bedrijfstak als algemeen geldend wordt beschouwd.

Ook arboconvenanten kunnen van belang zijn bij de concretisering van wettelijke doelbepalingen en de handhaving daarvan. Per bedrijfstak kunnen afspraken worden gemaakt over toepassing van effectieve preventiemaatregelen en economisch haalbare invoeringstermijnen.

Afspraken over toepassing van bepaalde preventie- c.q. bronmaatregelen in het kader van een convenant kunnen worden geformaliseerd in een beleidsregel. Deze worden als zodanig bekend gemaakt en vormen mede de basis voor het handhavend optreden van de Arbeidsinspectie ten aanzien van alle bedrijven in de betreffende bedrijfstak.

Bij handhavend optreden naar aanleiding van overtredingen zal de inspecteur altijd moeten aangeven welke norm waarom (vermoedelijk) wordt overtreden.

2.2 Gedragskader

Van een andere orde, maar evenzeer deel uitmakend van het normatieve kader, is de voor de inspecteurs geldende Gedragscode. Deze bevat regels die de Arbeidsinspectie in acht neemt bij de uitvoering van alle handhavende taken.

Het gaat hierbij om regels met betrekking tot integriteit en persoonlijke veiligheid. Tevens worden regels gegeven over het omgaan met de bevoegdheden die een inspecteur heeft in het kader van toezicht en opsporing.

2.3 Politiek kade

Waar en hoe de capaciteit van de Arbeidsinspectie wordt ingezet, wordt in sterke mate bepaald door de politieke leiding.

Deze politieke sturing komt tot uiting bij de vaststelling van het jaarplan en de hoofdlijnen van de capaciteitsinzet. Daarnaast vindt ook (meer directe) politieke sturing plaats op basis van beleidssignalen, maatschappelijke ontwikkelingen en actuele gebeurtenissen.

Bij deze politieke sturing spelen maatschappelijke opvattingen en ontwikkelingen met betrekking tot de rol van de overheid, marktwerking en deregulering en het leggen van verantwoordelijkheden bij sociale partners een belangrijke rol.

De laatste jaren hebben zich in dat verband grote veranderingen voorgedaan in de wetgeving over de arbeid. Zo zijn verschillende maatregelen genomen om het ziekteverzuim en de instroom in de WAO terug te dringen, onder andere door financiële prikkels voor de werkgever. Bedrijven hebben te maken met nieuwe verplichtingen, zoals de aansluiting bij een arbodienst en het opstellen van een risicoinventarisatie en -evaluatie. Uitgangspunt bij deze maatregelen is dat werkgevers en werknemers primair zelf verantwoordelijk zijn voor de arbeidsomstandigheden. Werkgevers die deze verantwoordelijkheid goed weten in te vullen door consequent de risicoís die aan arbeid verbonden zijn te inventariseren, op basis daarvan maatregelen treffen, en deze evalueren, zullen minder met de Arbeidsinspectie te maken krijgen, dan degenen die alleen door handhavingsmaatregelen zover te krijgen zijn dat ze hun verplichtingen nakomen.

De politieke prioriteitstelling dientengevolge, c.q. het politiek kader voor het handhavend optreden komt tot uitdrukking in de actuele missie van de Arbeidsinspectie:" Het aanpakken van misstanden en het leveren van politiek relevante beleidsinformatie".
 
 
 
 

In de praktijk houdt dit in dat de Arbeidsinspectie:

  • vooral inspecteert in bedrijven en bedrijfstakken waar de risicoís groot zijn en/of de naleving van de Arbowet onvoldoende is (recidive/herhaling):
  • zich bij inspecties richt op de aanpak van misstanden, ernstige risicoís en specifiek branchegebonden knelpunten in de wetsnaleving en daarbij zo nodig ook buiten de normale kantooruren opereert;
  • zich beperkt tot meer steekproefsgewijs inspecteren in bedrijfstakken en bedrijven waar in beginsel sprake is van goede wetsnaleving;
  • streng handhavend optreedt ten opzichte van strafbare feiten en ernstige beboetbare feiten;
  • nadrukkelijk misstanden aan de kaak stelt en aanpakt, waar juridisch mogelijk handhavend, en overigens (beleids)signalerend naar de verantwoordelijke beleidsdirecties van het ministerie als het bijvoorbeeld mazen in de wetgeving of normering betreft;
  • zich ook richt op bedrijven die opereren binnen "schemergebieden" en illegaliteit en werkzaam zijn buiten de gebaande wegen.

3. DE HANDHAVINGSTRAJECTEN

3.1 Inleiding

Het handhavingsbeleid van de Arbowet 1998 wordt gekenmerkt door een lik op stuk benadering: toepassing van bestuurlijke boetes en korte handhavingstrajecten.

Handhaving is gericht op het opheffen van overtredingen. Dit betekent dat de Arbeidsinspectie een werkgever net zolang op zijn verplichtingen zal aanspreken, totdat de overtreding niet meer bestaat. In veel gevallen zal dit gebeuren binnen de reguliere handhavingstrajecten in het kader van een project (paragraaf 3.2). Indien na afloop van het eerste handhavingstraject nog steeds overtredingen bestaan, wordt na verloop van tijd een nieuw traject gestart gericht op recidive of herhaling (paragraaf 3.3).

Handhaving is uitsluitend mogelijk bij middelbepalingen en geconcretiseerde doelbepalingen (o.m. door middel van beleidsregels). De wijze waarop wordt gehandhaafd wordt bepaald door de aard van de overtreding en het karakter van de overtreden norm.

Tijdens een inspectiebezoek kunnen alle handhavingsinstrumenten aan de orde komen:

  • stillegging
  • proces-verbaal
  • boeterapport
  • eis
  • waarschuwing
Gelet op deze diversiteit is het van belang dat in de projectbeschrijving bij elk inspectiepunt wordt aangegeven welke (combinatie van) instrumenten ­ en dus welk soort traject - moet worden ingezet. Hierdoor wordt de eenvormigheid in optreden zoveel mogelijk gegarandeerd.

3.2 De reguliere handhavingstrajecten

Tijdens een eerste inspectiebezoek kan een inspecteur vier verschillende handhavingstrajecten inzetten, afhankelijk van de feiten die hij of zij aantreft, te weten:

  • strafbare feiten,
  • ernstige beboetbare feiten,
  • direct beboetbare feiten en
  • overige beboetbare feiten
Elk van deze feiten kent een eigen handhavingstraject, zie schema.
 
 

Schema Handhavingstrajecten


 
 

3.2.1 Handhavingstraject bij strafbare feiten

Het handhavingstraject voor strafbare feiten wordt gehanteerd bij:

  • overtreding van verbodsbepalingen;
  • misdrijf conform artikel 32 Arbowet 1998.
Bij constatering van een strafbaar feit legt de inspecteur het werk zo nodig stil (op basis van artikel 28 Arbowet 1998) en maakt proces-verbaal op.

De stillegging beoogt het gevaar weg te nemen. Het proces-verbaal dient om de overtreding voor te leggen aan het Openbaar Ministerie. Onder stillegging wordt verstaan:

  • het laten staken van werkzaamheden
  • het laten vertrekken van personen uit een gevarenzone
  • het niet laten aanvangen van werkzaamheden (preventieve stillegging).
Een strafbaar feit is een ernstig vergrijp maar behoeft niet altijd direct gevaar voor personen in te houden. Denk bijvoorbeeld aan het op voorraad hebben van asbesthoudende materialen. In dit soort gevallen moeten wel direct maatregelen worden getroffen, maar het werk behoeft niet te worden stilgelegd conform artikel 28 Arbowet 1998.

De stillegging wordt pas ingetrokken als de overtreding is opgeheven. Indien blijkt dat een bevel tot stillegging wordt genegeerd dan is dit een overtreding van artikel 28, 7e lid, hetgeen als een misdrijf wordt aangemerkt. Er wordt dan een proces-verbaal misdrijf opgemaakt. Hierbij kan er bij de Officier van Justitie worden aangedrongen op het treffen van extra maatregelen.

3.2.2 Handhavingstraject bij ernstige beboetbare feiten

Het handhavingstraject bij ernstige beboetbare feiten wordt gehanteerd bij het constateren van feiten zoals opgenomen in de gelijknamige lijst (zie bijlage 2 bij beleidsregel 33).

Het handhavingstraject bestaat uit één fase. Daarbij hanteert de inspecteur altijd de volgende instrumenten indien er sprake is van heterdaad:

  • bevel tot stillegging (artikel 28 Arbowet 1998)
  • boeterapport.
Indien een inspecteur een ernstig beboetbaar feit constateert zonder dat er op dat moment personen werkzaam zijn, dan legt hij of zij het werk stil in die zin dat het werk pas mag worden aangevangen indien maatregelen zijn genomen die het ernstige beboetbare feit wegnemen. Dit wordt ook wel de preventieve stillegging genoemd. In dergelijke gevallen wordt geen boeterapport opgemaakt.

Evenals bij strafbare feiten geldt dat de stillegging pas worden ingetrokken als de werkgever de nodige maatregelen heeft getroffen om het beboetbare feit op te heffen. Voor het negeren van de stillegging wordt een proces-verbaal misdrijf opgemaakt.

3.2.3 Handhavingstraject bij direct beboetbare feiten

Het handhavingstraject bij direct beboetbare feiten wordt gehanteerd bij het constateren van feiten zoals opgenomen in de gelijknamige lijst (zie bijlage 3 bij beleidsregel 33).

Het handhavingstraject bestaat uit één fase:

  • boeterapport
  • zo nodig maatregelen.
Het hangt van de aard van het direct beboetbare feit af of er maatregelen nodig zijn. Het bijvoorbeeld alsnog melden van een reeds verrichte asbestsloop heeft geen zin. Het alsnog maken van een ri&e uiteraard wel. Indien in dit soort gevallen maatregelen worden vereist, dan worden deze altijd gecontroleerd (zie paragraaf 3.3, handhavingstrajecten bij recidive en herhaling).

3.2.4 Handhavingstraject bij overige beboetbare feiten

Alle overige beboetbare feiten kennen een handhavingstraject bestaande uit twee fasen:

  • 1e fase: waarschuwing of eis
  • 2e fase: boeterapport en maatregelen
Een waarschuwing wordt gegeven voor het naleven van:
  • middelvoorschriften,
  • doelvoorschriften die zijn uitgewerkt in concrete beleidsregels,
  • doelvoorschriften waarvoor voldoende heldere jurisprudentie beschikbaar is die op een betreffende situatie van toepassing is,
  • doelvoorschriften waarvoor over de invulling - voldoende breed gedragen en bekend gemaakte - afspraken zijn gemaakt met brancheorganisaties.
In alle overige gevallen wordt bij doelvoorschriften een eis gesteld.

In de waarschuwing of de eis wordt de termijn aangegeven waarbinnen de maatregelen moeten zijn genomen om de overtreding op te heffen. Na afloop van de gestelde termijn vindt controle plaats. Indien de overtreding nog steeds bestaat maakt de inspecteur een boeterapport op. Daarnaast wordt de werkgever opnieuw verplicht maatregelen te treffen (zie paragraaf 3.3 handhavingstrajecten bij recidive en herhaling).

Verbaal getoonde onwil bij het eerste inspectiebezoek voor feiten waarbij geen direct gevaar voor personen bestaat, is geen aanleiding om de eerste fase van het handhavingstraject over te slaan. Als een werkgever niet ogenblikkelijk coöperatief gedrag vertoont behoeft dit nog geen uiting van onwil te zijn.

3.3 Handhavingstrajecten bij recidive en herhaling

3.3.1 Algemeen

Nadat een regulier handhavingstraject, waarbij geen stillegging aan de orde is geweest (zie paragraaf 3.2), is afgesloten met een proces-verbaal (niet geseponeerd) of een boeterapport kan er nog steeds sprake zijn van het voortbestaan van overtredingen dan wel beboetbare feiten. Zolang er dus nog maatregelen van een werkgever worden verlangd om een overtreding op te heffen, zal de Arbeidsinspectie altijd controleren of deze zijn genomen (zie ook schema 1). De termijnen die in acht worden genomen bij deze controle alsmede de uitkomst van een eerder opgelegd proces-verbaal of boeterapport bepalen de vervolgactie, te weten opnieuw een boete, een verhoogde boete, of (opnieuw) een proces-verbaal, en uiteraard ook weer maatregelen. Het kan echter ook betekenen dat er geheel opnieuw een traject moet worden gestart.

De termijnen voor controle moeten zodanig worden bepaald dat voor bedrijf en inspecteur helder is wat de consequenties kunnen zijn van vervolgacties. In elk geval moet worden voorkomen dat een nieuw traject moet worden gestart. De termijnbepaling is veelal maatwerk. Aanbevolen wordt om in elk geval 14 weken als minimale termijn te hanteren.

De wettelijk vastgestelde termijnen voor het doen uitgaan van een boetebeschikking en een eventueel bezwaarschrift hierop door de belanghebbende zijn respectievelijke acht en zes weken na vaststelling van een beboetbaar feit. Na die periode is dan bekend bij de inspecteur of de eerdere aangezegde boete al dan niet onherroepelijk is.

3.3.2 Vervolgtraject bij directe en overige beboetbare feiten

Vervolgtrajecten hebben wat betreft de sanctionering de volgende consequenties:

  • Indien een eerste controle plaatsvindt binnen 24 maanden na het onherroepelijk geworden zijn van een eerder opgelegde boete, dan wordt opnieuw een boeterapport opgemaakt. Dit kan leiden tot een 50% hogere boete (recidive in de zin van artikel 34 Arbowet 1998).
  • Indien een eerste controle plaatsvindt binnen 48 maanden nadat een eerdere boete is opgelegd, dan wordt ook opnieuw een boeterapport opgemaakt. Dit leidt echter niet tot een verhoogde boete (herhaling).
  • Indien een eerste controle plaatsvindt na 48 maanden nadat een eerdere boete is opgelegd, dan is er geen sprake van een vervolgtraject en wordt een nieuw handhavingstraject gestart.
  • Indien binnen 48 maanden voor de derde maal eenzelfde beboetbaar feit wordt geconstateerd en voor de twee voorafgaande keren een boete is opgelegd, dan wordt proces-verbaal opgemaakt. Afhankelijk van de afhandeling door het Openbaar Ministerie van dit proces-verbaal zal opnieuw controle moeten plaatsvinden. Bij het dan nog steeds bestaan van de overtreding zal in overleg met de Officier van Justitie naar bevind van zaken worden gehandeld.

3.3.3 Recidive of herhaling bij strafbare en ernstige beboetbare feiten

Indien binnen 48 maanden na constatering van een strafbaar of ernstig beboetbaar feit opnieuw eenzelfde feit wordt geconstateerd, wordt weer stilgelegd en een proces-verbaal misdrijf (artikel 32 Arbowet 1998) opgemaakt.

3.3.4 Verkorte handhavingstrajecten bij recidive/herhaling na afhandelingsbrief

Indien tijdens een controle in een bedrijf na een waarschuwing, een eis of een boeteaanzegging geen beboetbare feiten meer worden geconstateerd, ontvangt de belanghebbende een afhandelingsbrief en wordt het interventietraject afgesloten. Nu kan het voorkomen dat bij een nieuwe inspectie in het betreffende bedrijf hetzelfde of eenzelfde feit opnieuw wordt geconstateerd. Als deze constatering gebeurt binnen vier jaar na dato van de eerdere afhandelingsbrief, dan kan het in te zetten handhavingstraject voor dat feit met één fase worden ingekort, dwz.:

  • direct aanzeggen van een boete en maatregelen opleggen indien een eerder traject is afgerond na een waarschuwing of een eerste boete.
  • direct aanzeggen van een boete en maatregelen opleggen indien een eerder traject is afgerond nadat in eerste instantie een eis is gesteld. Dit geldt echter alleen in die situaties waarvoor de maatregelen in de eerder gestelde eis ook van toepassing zijn te verklaren. Bijvoorbeeld: een eis voor een camera en monitor op een kraakperswagen is opgevolgd en het traject is afgerond met een afhandelingsbrief. Twee jaar later wordt tijdens een volgende inspectie bij hetzelfde bedrijf geconstateerd dat bij een andere soortgelijke kraakperswagen een camera en monitor ontbreekt. In dit geval kan direct een boete worden aangezegd en maatregelen worden opgelegd.
  • direct een proces-verbaal indien een eerder traject is afgerond na een tweede boete.

3.4 Handhaving op tijdelijke locaties

Inleiding

Met tijdelijke locaties worden zeer tijdelijke locaties bedoeld en dus niet de grote bouwwerken (conform Bouwbesluit), filialen van supermarkten, banken, e.d.

Dit specifieke onderdeel van het handhavingsbeleid is voornamelijk ingegeven door die werkgevers die een loopje nemen met de wet. Het gaat daarbij om werkzaamheden als asbestsloop, dakdekken, gevelonderhoud, e.d. waarbij telkenmale blijkt dat bepaalde voorzieningen niet worden getroffen.

Het niet kunnen aanpakken van werkgevers die steeds kort op zeer tijdelijke locaties werkzaamheden laten verrichten, en daar steeds (dezelfde) overtredingen begaan, wordt door de Arbeidsinspectie als onbevredigend ervaren. Dit geldt met name voor overtredingen waarvoor eerst een waarschuwing wordt gegeven. Op het moment dat de waarschuwing gecontroleerd wordt, is de vogel in negen van de tien gevallen gevlogen, en kan dus niet worden gecontroleerd of de betrokken werkgever de geconstateerde overtreding inderdaad heeft opgeheven.

Ook wordt het als onrechtvaardig ervaren dat dit soort werkgevers bij het constateren van ernstige of direct beboetbare feiten nooit in een recidivetraject terecht komen. Dus geen verhoogde boete of een proces-verbaal krijgen. Het huidige handhavingsbeleid van de Arbowet luidt immers dat van filiaalbedrijven of concerns vestigingen (inclusief bouwlocaties) voor wat betreft de afronding van handhavingstrajecten behandeld worden als waren het zelfstandige bedrijven. Dit is ingegeven door een tweetal overwegingen: de wens om niet te snel in het strafrecht terecht te komen en de onmogelijkheid om bijvoorbeeld in Maastricht te bepalen of de dagen ervoor een boete of een waarschuwing is gegeven in Amsterdam aan een locatie van dezelfde hoofdvestiging.

In het kader van de missie is het niet juist dat het soort werkgevers als hiervoor genoemd telkenmale de dans ontspringen waar het gaat om boetes als gevolg van het niet opvolgen van een waarschuwing, of de kans op een verhoogde boete of een proces-verbaal in het geval van recidive. Werkgevers die op verschillende tijdelijke locaties binnen twee jaar eenzelfde overtreding begaan worden dan ook conform het algemeen geldende handhavingsbeleid behandeld. Een en ander leidt tot de volgende aanpak van overtredingen op tijdelijke locaties.

3.4.1. Niet ernstige overtredingen

Bij het geven van een waarschuwing op een tijdelijke locatie dient - waar mogelijk - een dusdanige (korte) waarschuwingstermijn gehanteerd te worden dat controle ook daadwerkelijk kan plaatsvinden. Is de overtreding dan niet opgeheven dan volgt een boeterapport. Wanneer het, bijvoorbeeld in verband met de capaciteitsplanning van de inspecteur, of de zeer beperkte tijdelijkheid van de locatie, niet mogelijk is een controle uit te voeren dan wordt toch een waarschuwing gegeven met een schriftelijke bevestiging aan de werkgever op het vestigingsadres.

Hiertoe zal de waarschuwingsbrief worden uitgebreid met een optie waarbij wordt meegedeeld dat in verband met de tijdelijkheid van de locatie het niet mogelijk zal zijn om te controleren of de wettelijke bepaling daadwerkelijk is nageleefd. Daarbij wordt de werkgever erop gewezen dat indien binnen twee jaar weer eenzelfde overtreding op een tijdelijke locatie van het bedrijf van de werkgever wordt aangetroffen, dit kan leiden tot een boeterapport, en zelfs kan leiden tot een proces-verbaal indien dit meerdere malen gebeurt.

3.4.2 Recidive niet-ernstige overtredingen

Met de huidige GISAI-versie bestaat de mogelijkheid om na te trekken of aan een werkgever (correspondentieadres in GISAI) in de twee jaar daarvoor landelijk gezien een of meerdere waarschuwingen zijn gegeven voor eenzelfde feit. Dit houdt overigens wel in dat de inspecteur bij iedere waarschuwing die hij of zij geeft met betrekking tot een tijdelijke locatie, in GISAI zal moeten (laten) nagaan of voor het feit waarvoor een waarschuwing wordt gegeven, al eerder in de voorafgaande twee jaar een waarschuwing is gegeven. Een telefoontje aan de clusteradministratie kan wat dat betreft snel uitkomst brengen. Het is ook mogelijk dat tijdens de administratieve verwerking blijkt dat al eerder een waarschuwing aan de betrokken werkgever is gegeven voor eenzelfde feit, maar dan op een andere locatie. Dan kan volstaan worden met een telefonische boeteaanzegging. Let wel: het zal altijd moeten gaan om een overtreding van hetzelfde inspectiepunt.

3.4.3 Recidive ernstige beboetbare feiten

Voor recidivegevallen op verschillende tijdelijke locaties van een en dezelfde werkgever wordt een soortgelijke aanpak gehanteerd. In feite betekent dit dat het reguliere handhavingsbeleid zoals dat geldt voor vaste locaties (vestigingen) ook zal gaan gelden voor tijdelijke locaties van dezelfde werkgever. Dus, indien op een tijdelijke locatie x van een werkgever op een moment y voor een bepaald feit een boete is opgelegd, en binnen twee jaar wordt voor eenzelfde feit op de tijdelijke locatie z van dezelfde werkgever weer een boete opgelegd, dan wordt het boetebedrag met 50% verhoogd. Indien binnen 48 maanden weer eenzelfde overtreding wordt geconstateerd op weer een andere tijdelijke locatie van die werkgever, terwijl al tweemaal een boete is aangezegd, dan wordt proces-verbaal opgemaakt (conform het reguliere handhavingsbeleid).

Ook hierbij geldt dat in GISAI zal moeten worden bezien of sprake is van recidive door middel van het checken van eerdere interventies gericht aan het correspondentieadres van een bepaalde werkgever.

Dit betekent dat - waar mogelijk - gegevens over de werkgever die op een tijdelijke locatie arbeid laat verrichten voorafgaand aan het inspectiebezoek moeten worden opgezocht in GISAI of in het bedrijfsdossier. In een aantal gevallen zal het inderdaad mogelijk zijn deze gegevens van tevoren te achterhalen, namelijk wanneer bekend is waar een tijdelijke locatie zich bevindt (asbestsloop). In de meeste overige gevallen zal dit echter niet mogelijk zijn. In de praktijk is het vaak zo dat de inspecteur wordt geconfronteerd met overtredingen op een tijdelijke locatie, en dat hij of zij de voorgeschiedenis van de betrokken werkgever niet kent.

Is dat laatste het geval dan luidt de te hanteren gedragslijn als volgt: Checken bij de clusteradministratie of er sprake is van recidive en afhankelijk daarvan een boeterapport (bij geen of eenmaal recidive) of een proces-verbaal (bij tweemaal recidive) opmaken. Is het checken bij de clusteradministratie om wat voor reden dan ook niet mogelijk, dan kan als gevolg van de administratieve verwerking een en ander worden rechtgetrokken. Gaat het om een eerste recidive dan behoeft geen actie te worden ondernomen. Gaat het om een tweede keer recidive (en dus proces-verbaal) dan zullen betrokkenen opnieuw gehoord moeten worden in het kader van de opsporing. Het is dus zeker aan te bevelen om bij vermoeden van recidive contact met de clusteradministratie op te nemen, om eventueel dubbel werk te voorkomen.
 
 

3.5 Handhaving bij klachten en ongevallen

Indien bij de behandeling van klachten overtredingen worden geconstateerd, dan worden deze afgehandeld volgens de reguliere handhavingstrajecten en het eventueel daaropvolgende vervolgtraject.

Bij een causaal verband tussen een beboetbaar feit en een meldingsplichtig ongeval, wordt een ongevallenboeterapport opgemaakt. Daarnaast worden zo nodig maatregelen verlangd om overtredingen op te heffen. Voor eventuele civiele claims moeten slachtoffers worden doorverwezen naar een bureau voor rechtshulp.

Bij een causaal verband tussen een strafbaar feit en een meldingsplichtig ongeval wordt een proces-verbaal opgemaakt, en wordt uitvoering gegeven aan het gestelde in de Wet Terwee conform de daarvoor binnen de Arbeidsinspectie geldende richtlijnen.

Overigens wordt verwezen naar de "Handleiding voor de behandeling van klachten door de AI" en de interne instructie "De afhandeling van ongevalsmeldingen door de AI".

3.6 Handhaving bij overheidsinstellingen

Bij overtredingen van de wet gemaakt door overheidsinstellingen wordt een onderscheid gemaakt en dient eerst de vraag gesteld te worden: betreft het strafrecht of betreft het bestuursrecht? Bij bestuursrechtelijke overtredingen van (onderdelen van) zowel de centrale als decentrale overheden kan het reguliere bestuursrechtelijke handhavingsbeleid van de AI worden gevolgd.

Bij constatering van een strafbaar feit dient de vraag gesteld te worden: betreft het lagere overheden of zelfstandige bestuursorganen, of heeft men te maken met de rijksoverheid? Afhankelijk van het antwoord op deze vraag wordt als volgt gehandeld.

Lagere overheden of zelfstandige bestuursorganen

Het gaat hier om gemeenten, provincies, waterschappen, politie etc.. Als verdachte/belanghebbende wordt gehoord de vertegenwoordiger van de rechtspersoon, dus niet van het bestuursorgaan. In het algemeen is die vertegenwoordiging in de wet geregeld: burgemeester, commissaris van de koningin, korpsbeheerder etc.. Zij kunnen wel een ander machtigen namens de rechtspersoon een verklaring af te leggen; dit moet schriftelijk en vooraf gebeuren.

Bij het handhaven moet onderscheid gemaakt worden tussen het optreden van het bestuursorgaan uit hoofde van zijn werkgeverschap of dat er sprake is van zuiver bestuurlijk handelen.

In het eerste geval treedt een bestuursorgaan op dezelfde voet op als een privaatrechtelijke rechtspersoon en kan dus wel vervolgd worden. In deze gevallen kan - op basis van het geldende handhavingsbeleid - proces-verbaal worden opgemaakt. Het is daarbij raadzaam om de voorgeschiedenis van de inspectie en - zo mogelijk - het project te melden en vooroverleg met het betreffende parket te plegen. Ook zal van te voren een afloopcontrole met het parket moeten worden afgesproken. Bij sepot door de Officier van Justitie zal een klacht moeten worden gestuurd naar de Hoofdofficier van Justitie.

Als er sprake is van "zuiver bestuurlijk handelen" kan het bestuursorgaan niet strafrechtelijk worden vervolgd. Dit betekent niet dat handhaving achterwege zou moeten blijven. Indien conform het handhavingsbeleid bij overtredingen proces-verbaal zal moeten worden opgemaakt, zal dit ook tegen lokale overheden moeten gebeuren. Het openbaar Ministerie is verantwoordelijk voor de opsporing en moet daarom op een zodanige manier geïnformeerd zijn dat verantwoording wordt afgelegd van verrichte opsporingshandelingen. Indien proces-verbaal wordt opgemaakt, zal een exemplaar daarvan naar de Bedrijfstakcoördinator worden gezonden. Het proces-verbaal zal moeten worden gericht tegen het betreffende lagere overheidsorgaan. Het Openbaar Ministerie zal het proces-verbaal seponeren en het College van PG-en hiervan op de hoogte stellen en zal in het lokale ëdriehoeksoverlegí met korpsleiding en lokaal bestuur eveneens hiervan melding maken.

Rijksoverheid

Hieronder wordt verstaan: Ministeries, de rechterlijke macht en de Hoge Colleges van Staat, maar ook penitentiaire inrichtingen, legeronderdelen en de Immigratie- en Naturalisatiedienst, omdat deze organen rechtstreeks onder de centrale overheid vallen.

Hier hebben we te maken met de effecten van het Volkelarrest en het kabinetsstandpunt ter zake, te weten: volledige strafrechtelijke immuniteit. De naleving van de wet moet worden gewaarborgd via de hiërarchieke kanalen en eventueel via het politiek toezicht.

Dit betekent niet dat handhaving achterwege zou moeten blijven. Indien conform het handhavingsbeleid bij overtredingen proces-verbaal zal moeten worden opgemaakt, zal dit ook tegen centrale overheden moeten gebeuren. Het openbaar Ministerie is verantwoordelijk voor de opsporing en moet daarom op een zodanige manier geïnformeerd zijn dat verantwoording wordt afgelegd van verrichte opsporingshandelingen.

Indien proces-verbaal wordt opgemaakt, zal een exemplaar daarvan naar de Bedrijfstakcoördinator worden gezonden. Het proces-verbaal zal moeten worden gericht tegen de Staat der Nederlanden. In het algemeen is de bevoegdheid om deze rechtspersoon te vertegenwoordigen gemandateerd aan de leiding van een departement, de Secretaris-Generaal of een hoofd van dienst. Het Openbaar Ministerie zal het proces-verbaal seponeren en het College van PG-en hiervan op de hoogte stellen. Hierdoor kan het college inventariseren hoe ernstig het is met de overtredingen door de centrale overheid en de Minister van Justitie informeren en deze kan hierop maatregelen nemen. De Bedrijfstakcoördinator stelt ten behoeve van de Algemeen Directeur van de Arbeidsinspectie naar aanleiding van het geseponeerde proces-verbaal een blauwe brief naar de verantwoordelijke Minister op. De feiten, op basis waarvan het proces-verbaal wordt opgemaakt, worden als bijlage bij de blauwe brief gevoegd.
 
 

4. PROCEDURES MET BETREKKING TOT DE HANDHAVINGSTRAJECTEN

Dit hoofdstuk beschrijft de werkwijze en interventieprocedure binnen de handhavingstrajecten.

Doeltreffende en efficiënte handhaving zijn nauw verbonden met de projectkeuze en projectvoorbereiding. Ook de hiervoor geldende procedures worden daarom beknopt geschetst.

4.1 Projectkeuze op basis van risicoprofielen

Binnen de bedrijfstakaanpak wordt er per branche een risicoprofiel gemaakt op basis van een analyse van het mogelijk vóórkomen van misstanden, ernstige risico's en van branchegebonden knelpunten met betrekking tot wetsnaleving. Daarbij wordt ook beoordeeld in welke mate de branche structureel en systematisch aandacht schenkt aan naleving van de wet.

Vervolgens wordt binnen de bedrijfstakaanpak voor elke bedrijfstak een tactisch/strategisch meerjarenplan opgesteld. Hiervan afgeleid worden jaarlijks keuzes gemaakt ten aanzien van te inspecteren bedrijfstakken en te hanteren inspectievormen.

4.2 Inspectievoorbereiding

De inspectievoorbereiding geeft de inspecteur een sluitend houvast voor landelijk en eenduidig optreden ten aanzien van de overtredingen die hij - de inspectielijst volgend - kan tegenkomen.

Essentiële elementen bij de inspectievoorbereiding zijn:

  • formulering projectdoel in meetbare (kwantitatieve) handhavingstermen
  • selectie van te inspecteren bedrijven
  • opstelling inspectielijst: een gelimiteerd aantal branchespecifieke nalevingsknelpunten (misstanden), vermoedelijke ernstige beboetbare feiten en overtredingen
  • definiëring inhoudelijke eisen waaraan binnen het project de ri&e minimaal moet voldoen
  • keuze uit werkwijze-opties, zoals:
  • wel/niet vooraf aankondigen inspecties
  • wel/niet vooraf laten opsturen ri&e en pva
  • betrekken OR/personeelsvertegenwoordiging
  • aandacht voor signalering (nog) niet handhaafbare onderwerpen
  • samenstelling documentatiemateriaal per inspectiepunt: wettelijke en inhoudelijke normen, boetetarieven, achtergrondinformatie, folders, e.d., mede te gebruiken bij toelichting op het handhavend optreden en informatieverstrekking aan werkgevers
  • aangeven van de toe te passen handhavingstrajecten (strafrechtelijk, bestuursrechtelijk of combinaties daarvan, inclusief de te hanteren instrumenten) bij constatering van gedefinieerde overtredingen en eventueel landelijk binnen het project eenduidig te hanteren termijnen, enzovoorts
4.2.1 Inspectievoorbereiding waarbij naast arbeidsveiligheid ook publieke veiligheid een rol kan spelen.

Het hierna volgende behelst een voorlopige handelswijze. De relatie publieke/arbeidsveiligheid is onderwerp van een meerjarig en interdepartementaal project, teneinde overlap en grijze gebieden tussen beide aandachtsvelden te elimineren.

Bij actieve inspecties zal, bij een project waarbij naast arbeidsveiligheid ook de publieke veiligheid aan de orde kan zijn (te denken valt aan projecten gericht op cafés, restaurants, zwembaden, ijsbanen, supermarkten, theaters, treinstations, discotheken en pretparken), per project moeten worden vastgelegd in welke situatie het geboden is andere toezichthouders, vergunningverleners of vertegenwoordigers van het bevoegde gezag in te schakelen.

In dit soort projecten zal het volgende moeten worden vastgelegd:

  • Indien tijdens inspecties wordt geconstateerd dat de aangetroffen situatie (eveneens) gevaar voor de publieke veiligheid kan inhouden, dan wordt dit schriftelijk meegedeeld aan het bevoegde gezag. Tegen gevaren voor werknemers wordt uiteraard direct opgetreden door de Arbeidsinspectie.
  • In het geval er sprake is van een of meer ernstige beboetbare of strafbare feiten die consequenties hebben voor zowel de arbeids- als de publieke veiligheid, dan zal direct telefonisch contact moeten worden opgenomen met het bevoegd gezag op ambtelijk niveau, met de intentie dat het bevoegd gezag gezamenlijk met de Arbeidsinspectie optreedt. Indien het bevoegd gezag op ambtelijk niveau hieraan geen gehoor geeft, dan zal de inspecteur optreden met betrekking tot de arbeidsveiligheid en dit direct moeten melden aan zijn hoofdinspecteur of directeur. Deze handelt naar bevind van zaken richting bevoegd gezag op het niveau van de burgemeester.

Bij dit laatste punt is het volgende nog van belang. Artikel 28 Arbowet 1998 geeft de inspecteur van de Arbeidsinspectie de mogelijkheid om te bevelen dat personen niet mogen blijven in door hem aangewezen plaatsen, indien naar zijn redelijk oordeel dat verblijf ernstig gevaar voor die personen oplevert. Daar waar de verhouding werknemers/publiek buitenproportioneel is, is artikel 28 niet het aangewezen instrument om in te zetten. Daarmee zou de Arbeidsinspectie de taak overnemen van het bevoegd gezag.

Bij reactieve inspecties waarbij de publieke veiligheid in het geding kan zijn, zal overeenkomstig het voorgaande dienen te worden gehandeld.

4.3 De bedrijfsinspectie

4.3.1 Voorbereiding

Voorafgaand aan een bedrijfsinspectie raadpleegt de inspecteur de aanwezige bedrijfsgegevens.

Voor het optreden van de inspecteur in het bedrijf, voor de inzet van juridisch/bestuurlijke instrumenten, de aanpak van eventuele herhaling of recidive, enzovoorts is kennis van het bedrijfsdossier essentieel.

Behalve de actuele bedrijfsgegevens is ook de "bedrijfshistorie" van belang:

  • eerdere bezoeken en kader waarin
  • eerder ingezette handhavingstrajecten en resultaat
  • nog lopende termijnen waarbinnen de aanpak voor recidive/herhaling aan de orde is (al dan niet verhoogde boete, (misdrijf) proces-verbaal)
  • belangrijke door het bedrijf toegezonden correspondentie
  • eerder door de Arbeidsinspectie verstrekte informatie.
4.3.2 De inspectie in het bedrijf

Elke inspectie in het bedrijf bestaat uit twee elementen:

  • de eigenlijke (werkplek)inspectie, en
  • het handhavingsgesprek.

In alle gevallen geldt ten aanzien van de bedrijfsinspectie de volgende procedure:

1. Introductie

De inspecteur:

  • maakt zich bekend, legitimeert zich altijd (conform gedragscode) en verwijst eventueel naar een vooraankondiging van de inspectie of een afspraak
  • geeft het doel aan van zijn bezoek: toezicht op de naleving van de Arbowet
  • geeft de procedure aan: werkplekinspectie - controle organisatorische verplichtingen - handhavingsgesprek, samen met werkgever of bevoegde bedrijfsfunctionaris en een lid van de OR of personeelsvertegenwoordiging.
2. Werkplekinspectie

De inspecteur:

  • controleert naleving volgens de inspectielijst
  • spreekt (eventueel) werknemers aan ter controle van de naleving van organisatorische verplichtingen
  • constateert overtredingen en spreekt dit uit naar werkgever (en het lid van de OR of personeelsvertegenwoordiging)
  • reageert zo nodig direct (stilleggen) bij constateren ernstig beboetbaar feit of strafbaar feit.

Na de werkplekinspectie - nog voorafgaand aan het handhavingsgesprek - worden ook de inhoud van de RI&E en het plan van aanpak bekeken in relatie tot op de werkplek geconstateerde overtredingen.

N.B. Indien de inspecteur - buiten de inspectielijst om - andere, ernstige beboetbare feiten of strafbare feiten constateert, zal hij ook hier altijd handhavend optreden. In dit geval volgens de handhavingstrajecten zoals in paragraaf 3.2.1 en 3.2.2 is aangegeven.

Geconstateerde ernstige risico's en/of misstanden waarvan aanpak niet mogelijk is bij gebreke van adequate regelgeving of normatief kader worden - conform de vaste nevendoelstelling van een inspectieproject - gerapporteerd als relevante beleidsinformatie.

3. Het handhavingsgesprek

Het handhavingsgesprek bestaat uit drie delen: formaliseren, informeren en afronden.

Formaliseren

De inspecteur:

  • geeft het resultaat weer van zijn inspectie en maakt duidelijk waarin de werkgever in gebreke is gebleven
  • spreekt de werkgever aan op naleving van de wet, ten aanzien van zowel werkplekverplichtingen als organisatorische verplichtingen en geeft hem zo nodig de cautie
  • geeft de werkgever de handhavingsprocedure en het tijdpad aan die hij ten aanzien van de verschillende geconstateerde overtredingen zal volgen: geeft waarschuwing/stelt eis/zegt boete aan /zegt proces-verbaal aan, e.e.a. in overeenstemming met de binnen de projectvoorbereiding per inspectiepunt vastgestelde aanpak.
Informeren

De inspecteur:

  • geeft informatie over de inhoud en achtergrond van de wet of overtreden regel, geeft een verwijzing hiernaar met bronvermelding, verstrekt eventueel folders, enzovoorts
  • geeft informatie over oplossingsrichtingen, daarbij veelal doorverwijzend naar arbodiensten of andere deskundigen.
Tot het informerend optreden behoort ook het zichtbaar maken van mogelijke achtergronden van de geconstateerde werkplekovertreding en het leggen van de relatie daarmee met manco's in het voeren van arbobeleid.

Door deze aanpak wint de interventie van de Arbeidsinspectie aan impact: ook tijdens de inspectie niet waargenomen overtredingen worden indirect aan de orde gesteld (dezelfde machines/situaties in andere niet geïnspecteerde bedrijfsruimtes) en mogelijk ook potentiële andere problemen krijgen op voorhand aandacht.

Afronden

De inspecteur:

  • recapituleert de belangrijkste punten en maakt duidelijk wat er gaat gebeuren
  • kondigt een schriftelijke bevestiging van zijn optreden aan
  • geeft aan te controleren na afloop van de gestelde/overeengekomen termijn
  • informeert de werkgever over mogelijkheden van bezwaar/beroep (indien van toepassing)
  • informeert de werkgever over de consequenties van het niet tijdig opheffen van de overtredingen.
4.4 Omgang met medezeggenschap bij de bedrijfsinspectie

Een vertegenwoordiger van het medezeggenschapsorgaan heeft het recht om een inspecteur te vergezellen bij een bedrijfsinspectie (inclusief het nagesprek), tenzij de inspecteur in verband met zijn taakuitoefening hier bezwaar tegen heeft. De inspecteur vraagt voordat de inspectie aanvangt altijd of een vertegenwoordiger de inspectie wil bijwonen. Als de vertegenwoordiger en/of de werkgever te kennen geven dat het niet belangrijk is dat er iemand van het medezeggenschapsorgaan meegaat, moet hierop door de inspecteur toch worden aangedrongen.

Indien een inspectie vooraf wordt aangekondigd, moet - behalve de werkgever - ook het medezeggenschapsorgaan worden geïnformeerd over deze inspectie. Naast het doel van de inspectie, moet de informatie ook betrekking hebben op de wettelijke rechten en plichten van het medezeggenschapsorgaan daarbij.

4.5 Concerns en filiaalbedrijven

Vestigingen (inclusief bouwlocaties) van filiaalbedrijven of concerns worden voor wat betreft de afronding van handhavingstrajecten behandeld als waren het zelfstandige bedrijven.

Indien binnen het inspectieproject blijkt dat een concern of filiaalbedrijf herhaaldelijk in de fout gaat (dezelfde overtredingen op meerdere locaties, recidive of herhaling op vestigings/locatieniveau), kan er aanleiding bestaan ook de leiding van het concern of filiaalbedrijf aan te spreken op wetsnaleving (bijvoorbeeld op naleving van de plicht tot arbobeleidsvoering).

Anders dan in projectverband (bijvoorbeeld n.a.v. klachten, en ongevallen) herhaaldelijk geconstateerde soortgelijke overtredingen op vestigings- of locatieniveau, kunnen ook aanleiding zijn tot aanpak van de concernleiding. Dit ter beoordeling van de betreffende bedrijfstakcoördinator.

Of, wanneer en hoe ook de leiding van een concern of filiaalbedrijf op wetsnaleving zal worden aangesproken, moet bij de projectvoorbereiding worden vastgelegd in het projectdossier.
 
 

4.6 Schriftelijke bevestiging handhavend optreden

De resultaten van het handhavend optreden worden altijd schriftelijk bevestigd aan de werkgever en m.u.v. het proces-verbaal ook aan de ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging.

Hiertoe wordt binnen de Arbeidsinspectie landelijk vastgestelde en in GISAI opgenomen modelhandhavingscorrespondentie gebruikt.

Op het moment dat bij inspectie of controle geen overtredingen (meer) worden geconstateerd, wordt het bedrijf hiervan in kennis gesteld d.m.v. de afhandelingsbrief.

Het verzenden van deze brief betekent automatisch beëindiging van het ingezette handhavingstraject.

De Algemene wet bestuursrecht kent strikte procedurele en inhoudelijke voorschriften met betrekking tot door een bestuursorgaan af te geven beschikkingen. Eén hiervan is dat een beschikking in beginsel altijd moet zijn voorafgegaan door een zogenaamde kennisgeving. Dit houdt in een aankondiging van de voorgenomen bestuursrechtelijke interventie, onder mededeling dat betrokkene het recht heeft om gehoord te worden.

Voor de handhavingscorrepondentie bij de Arbeidsinspectie betekent dit dat:

5. OVERIGE ASPECTEN

5.1 Handhaving werknemersverplichtingen

Volgens de Arbowet en het Arbobesluit hebben ook werknemers een eigen verantwoordelijkheid om in verband met de arbeid de nodige voorzichtigheid en zorgvuldigheid in acht te nemen en instructies op te volgen ter vermijding van gevaren.

Dit geldt zowel voor hun gedrag als voor hun daden tijdens het werk. De werknemers moeten dan ook op die verantwoordelijkheid worden aangesproken.

Bij constatering van overtredingen en beboetbare feiten zullen meestal werkgevers worden aangesproken op naleving van de wet, aangezien werknemers door hun werkgever- die primair verantwoordelijk is voor de bedrijfscultuur - op hun verantwoordelijkheid worden aangesproken.

Bij een geconstateerde overtreding wordt alleen afgezien van een boeterapport wanneer de werkgever datgene heeft gedaan wat van een goed werkgever mag worden verwacht (beschermingsmiddelen ter beschikking heeft gesteld, voorlichting en onderricht heeft gegeven) en invulling heeft gegeven aan zijn toezichthoudende taak door bijvoorbeeld een actief toegepast sanctiebeleid.

In voorkomende gevallen dient echter de werknemer te worden beboet indien deze zich schuldig maakt aan ernstige dan wel direct beboetbare/strafbare feiten waarvan hij of zij op basis van instructies of voorlichting of bedrijfservaring moet weten dat het om een wetsovertreding gaat.

Als duidelijk blijkt dat de overtredingen die door een werknemer zijn begaan, terug te voeren zijn tot de druk die de werkgever op betrokken werknemer heeft gelegd, dan wel andere bijzondere omstandigheden, en dit ook blijkt uit het door de AI ingestelde onderzoek, dan zal geen boete aan die werknemer worden opgelegd.

Om de hierna volgende redenen is er voor gekozen om een werknemer niet te beboeten als een ongeval (mede) is veroorzaakt door zijn handelen en hijzelf en andere werknemers daarbij gewond zijn geraakt:

  • Tot voor de invoering van de Arbowet 1998 seponeerde het OM dergelijke processen-verbaal. Kwamen dit soort zaken toch voor de rechter, dan liet deze altijd het opportuniteitsbeginsel gelden vanuit de gedachte dat het slachtoffer van een arbeidsongeval al genoeg gestraft was door de geleden schade. Dit komt de AI in beginsel ook redelijk voor, tenzij het vermoeden van een misdrijf (met opzet) door de werknemer, bestaat. Daar komt bij dat werknemers - als ze in die situatie wel een boete zouden krijgen - in een aanmerkelijk ongunstiger positie komen dan onder het strafrecht het geval zou zijn. Dat past niet goed in een afgewogen geheel van strafrechtspleging en bestuurlijke boetes. Indien een vermoeden bestaat dat een werknemer een misdrijf gepleegd heeft dan zal in overleg met het OM wel handhavend worden opgetreden.
  • Door het toenemende claimgedrag in ons land, is de kans groot dat die werknemers daarin als partij betrokken worden en indieners van claims (werkgever, collegaís, derden) de boeterapporten van de Arbeidsinspectie als bewijsmateriaal zullen hanteren. Met ongevallen kunnen aanzienlijke kosten gemoeid zij. Het beboeten van het slachtoffer van een ongeval kan met het oog op claims ingrijpende gevolgen voor hem of haar hebben.
Schematisch overzicht handhavingsbeleid met betrekking tot werknemers
 
Overtreding werkgever Handhavingsmaatregel
Geen beschermende middelen ter beschikking gesteld Werkgever boete

Werknemer geen boete

Wel beschermende middelen ter beschikking gesteld, geen instructie gegeven, doch wel noodzakelijk Werkgever boete

Werknemer geen boete

Wel beschermende middelen ter beschikking gesteld, geen instructie gegeven, maar werknemer is bekend of mag geacht worden bekend te zijn met de noodzaak c.q. wijze van gebruik Werkgever boete

Werknemer boete

Wel beschermende middelen ter beschikking gesteld, wel instructie gegeven, geen toezicht Werkgever boete

Werknemer boete

Noodzakelijk wil hier zeggen als instructie noodzakelijk is voor het veilig kunnen werken, bijvoorbeeld bij een nieuwe werkwijze van een nieuw procédé.

Werkgever krijgt geen boete indien deze invulling geeft aan zijn toezichthoudende taak, bijvoorbeeld door middel van een functionerend sanctiebeleid.

Jegens de werknemer worden geen gefaseerde interventietrajecten gehanteerd, maar wordt direct het proces-verbaal opgemaakt of de boete aangezegd.

Een strikte uitvoering van het handhavingsbeleid jegens werknemers zal een meer proactieve houding ten aanzien van arbeidsomstandigheden bij werknemers kunnen stimuleren. Het stringent beboeten van werknemers die de Arbowet en -regelgeving overtreden wordt dan ook wenselijk geacht.

Bij de invulling van de inspectieprojecten wordt (de aanpak van) onverantwoord werknemersgedrag nadrukkelijk aan de orde gesteld, vooral in de branches waar die problematiek speelt en kan leiden tot misstanden (zoals de bouw en de groothandels).
 
 

5.2 Inspectie in relatie tot certificatie>

Op het terrein van arbeidsomstandigheden is certificatie in opmars. Daar waar dit heeft geleid tot in de regelgeving neergelegde verplichtingen wordt hierop gehandhaafd volgens daartoe nader gegeven handhavingsrichtlijnen.

Om de kwaliteit van producten, processen, systemen en de vakbekwaamheid van personen verder te verbeteren zijn er - ook op het terrein van arbeidsomstandigheden - met private inspanning al diverse vrijwillige certificatieregelingen ontwikkeld. In die branches waar relatief veel arbo-certificaten voorkomen zal de Arbeidsinspectie - conform het inspectiebeleid - op een andere wijze kunnen inspecteren, bijvoorbeeld door middel van steekproeven minder frequent of minder intensief. Van een volledig terugtrekken zal geen sprake zijn, omdat in het kader van de toezichthoudende taak een blijvend voldoende zicht moet worden gehouden op de stand van zaken op de werkvloer in de verschillende branches en op ontwikkelingen en trends daarbinnen.

De Arbeidsinspectie houdt geen toezicht op het functioneren van de individuele arbodiensten of andere gecertificeerde en/of geaccrediteerde instellingen.

Het aanspreekpunt van de dienst voor wat betreft naleving van de arbowet is uitsluitend de werkgever en de werknemer.

Tijdens werkplekinspecties (herhaaldelijk) geconstateerd disfunctioneren van een arbodienst, kan volgens een departementale afspraak worden gemeld bij de Directie Toezicht.

Werkgevers of werknemers moeten hun klachten over arbodiensten in eerste instantie aanhangig maken bij de betreffende arbodienst. Elke arbodienst moet namelijk beschikken over een klachtenregeling. Tegen de uitkomst van de klachtbehandeling door de arbodienst, is beroep mogelijk bij de geschillencommissie van de Branche Organisatie Arbodiensten.

5.3 Handhaving en informatieverzameling

Naast handhaving is informatieverzameling een kerntaak van de Arbeidsinspectie.

Het verzamelen van gegevens dient uiteenlopende doelen, zoals:

  • beleidsontwikkeling, -evaluatie en -bijstelling van SZW-beleid (onder andere via effectmetingen)
  • beantwoording van vragen uit de politiek
  • in kaart brengen van nieuwe, veronderstelde of gebleken risico's
  • in beeld brengen van het niveau van wetsnaleving ten aanzien van bepaalde voorschriften of binnen bepaalde sectoren
  • signaleren van nieuwe risicoís, nieuwe ontwikkelingen, nieuwe ontwijkmechanismen, mazen in wetgeving, e.d. (zgn. beleidssignalering).

Ten behoeve van effectmetingen van SZW-beleid worden in bedrijven - op basis van gestructureerde vraagstellingen (zgn. monitors) - gegevens verzameld die na bewerking, analyse en interpretatie van belang zijn voor het te voeren beleid.

Indien de benodigde gegevens niet te verkrijgen zijn uit hoofde van de toezichthoudende en opsporingstaak, kan de Arbeidsinspectie medewerking door bedrijven aan deze monitors niet eisen of afdwingen. Medewerking gebeurt op basis van vrijwilligheid (m.u.v. het verplichte jaarlijkse arbeidsvoorwaardenonderzoek).

Indien een monitoronderzoek betrekking heeft op een onderwerp waarop de Arbeidsinspectie ook een toezichthoudende of opsporingstaak heeft, dan zal dit onderzoek vervat worden in een inspectieproject, van waaruit de benodigde monitorinformatie via specifieke vraagstelling wordt verkregen. Uitgangspunt hierbij is dat handhaving nimmer opzij wordt gezet voor monitoring.

De vaststelling van de handhavingstrajecten die zullen worden ingezet bij mogelijk te constateren overtredingen is ook hier gewoon een onderdeel van de projectvoorbereiding.

Indien tijdens een bedrijfsbezoek in het kader van een monitor - buiten het bestek van de monitorvraagstelling - een ernstige overtreding en/of een misstand wordt geconstateerd treedt de inspecteur altijd handhavend op volgens het daartoe geëigende traject.

Het overschakelen van puur monitorend naar tevens handhavend optreden, vergt procedureel grote zorgvuldigheid, in het bijzonder op het moment dat in de sfeer van bestuursrechtelijke of strafrechtelijke handhaving de cautie moet worden gegeven ( d.w.z. de verdachte melden dat hij niet tot antwoorden is verplicht). Het is dan ook zaak dat de inspecteur zijn bevoegdheden en zijn rol bij de introductie van het bezoek volstrekt helder neerzet.

In veel gevallen verzamelt de Arbeidsinspectie ook tijdens gewone branchegerichte inspectieprojecten informatie ten aanzien van de naleving van regelgeving met betrekking tot één of meer onderwerpen die niet vanzelfsprekend deel uitmaken van de branchegerichte inspectielijst. Het kan hierbij onder andere gaan om politieke hot-items, recent gebleken nieuwe risicoís, enzovoorts

De Arbeidsinspectie verzamelt deze betreffende nalevingsinformatie ook krachtens haar toezichthoudende bevoegdheden; bedrijven zijn in dat kader verplicht de gevraagde informatie te verstrekken. Behalve de volgens de inspectielijst geconstateerde overtredingen, worden ook buiten de inspectielijst geconstateerde ernstige overtredingen en/of misstanden aangepakt via de daartoe geëigende handhavingstrajecten.

5.4 Relatie met andere toezichthouders

De handhaving van de Arbeidsomstandighedenwet is opgedragen aan de Arbeidsinspectie. In bepaalde economische sectoren is die handhaving (gedeeltelijk) opgedragen aan de Inspectie Verkeer en Waterstaat (divisies Luchtvaart, Scheepvaart en Wegverkeer). In deze nota wordt gesproken over werkzaamheden van de Arbeidsinspectie. In voorkomende gevallen kan daarmee ook gedoeld worden op genoemde andere toezichthouders.


Sitemap. | . E-mail

© ARBO-advies.nl